Wat is allergie?
Een allergie is een overgevoeligheidsreactie van het immuunsysteem op stoffen van buiten het lichaam die normaal gesproken geen klachten veroorzaken. Deze stoffen, zoals pollen, huisstofmijt of bepaalde voedingsmiddelen, worden allergenen genoemd.
Het immuunsysteem heeft als taak om het lichaam te beschermen tegen schadelijke indringers, zoals bacteriën, virussen en andere ziekteverwekkers. Bij mensen met een allergie reageert het afweersysteem echter ook op onschadelijke stoffen alsof deze een bedreiging vormen.
Een mogelijke verklaring hiervoor is de hygiënehypothese. Deze theorie stelt dat mensen tegenwoordig opgroeien in een veel schonere omgeving dan vroeger. Hierdoor komt het immuunsysteem minder vaak in contact met micro-organismen en wordt het minder getraind. Als gevolg daarvan kan het afweersysteem sterker gaan reageren op onschuldige stoffen uit de omgeving, zoals pollen of bepaalde voedingsmiddelen.
Allergie is een immuunziekte
Bij een allergische reactie maakt het immuunsysteem antistoffen aan tegen stoffen die op zichzelf onschadelijk zijn, zoals pollen, huisstofmijt of bepaalde voedingsmiddelen. Hierbij worden specifieke antilichamen van het type Immunoglobuline E (IgE) gevormd.
Wanneer iemand opnieuw in contact komt met deze stof (het allergeen), activeert dit het immuunsysteem. Daarbij komen stoffen zoals histamine vrij, die verantwoordelijk zijn voor de allergische klachten, zoals niezen, jeuk, huiduitslag of benauwdheid.
Het afweersysteem heeft als taak om het lichaam te beschermen tegen schadelijke indringers. Als het echter IgE-antistoffen aanmaakt tegen onschadelijke stoffen, spreekt men van sensibilisatie (gevoeligheid voor een allergeen).
Pas wanneer blootstelling aan deze stof daadwerkelijk klachten veroorzaakt én er specifieke IgE-antistoffen (sIgE) aantoonbaar zijn, kan de diagnose allergie worden gesteld.
Om gesensibiliseerd te raken zijn een aantal factoren belangrijk:
Hoewel veel bekend is over hoe allergische reacties in het lichaam verlopen, is nog niet volledig duidelijk waarom sommige mensen een allergie ontwikkelen en anderen niet. Er bestaan verschillende theorieën over het ontstaan van allergieën. Een van de bekendste is de hygiënehypothese.
Deze hypothese stelt dat mensen tegenwoordig opgroeien in een veel schonere omgeving dan vroeger. Door de verminderde blootstelling aan micro-organismen wordt het immuunsysteem mogelijk minder goed getraind. Hierdoor kan een verstoring ontstaan in de regulatie van het afweersysteem, waardoor het sterker reageert op onschuldige stoffen, zoals pollen, huisstofmijt of bepaalde voedingsmiddelen. Deze stoffen vormen normaal gesproken geen gevaar voor het lichaam, maar worden door het immuunsysteem toch als bedreigend herkend.
De definitie van Allergie is volgens de CBO-consensus: “Een in kwalitatieve zin veranderde gevoeligheid op basis van een immunologisch proces voor een stof die van buiten het menselijk lichaam afkomstig is.” Deze immunologische processen worden door Gell en Coombs ingedeeld in vier typen (welke soms in een of meerdere combinaties tegelijk voorkomen). Typen allergische reacties Type I:IgE-antistof gemediëerde allergie, waarvan Anafylaxis een extreem voorbeeld is. Type II:IgG-antistof gemediëerde allergische reactie Type III:allergische reactie die zich richt naar oppervlakte antigenen op weefsels Type IV:cel-gemediëerde allergische reactie
De meest voorkomende allergieën
Hier vindt u informatie over de meest voorkomende allergieën, hun mogelijke oorzaken, klachten en behandeling.
Inhalatieallergieën
Inhalatieallergieën zijn allergische reacties die ontstaan door het inademen van allergenen uit de lucht. De meest voorkomende oorzaken zijn huisstofmijt en pollen (stuifmeel).
Hierdoor kunnen onder andere de volgende aandoeningen ontstaan:
-
Allergisch astma (luchtwegklachten)
-
Allergische rhinitis (neus- en oogklachten, ook wel hooikoorts genoemd)
Huisstofmijt
De huisstofmijt is een microscopisch klein organisme van ongeveer 0,3 mm groot. Het voedt zich met huidschilfers van mens en dier. Hierdoor komt de huisstofmijt vooral veel voor in warme, vochtige omgevingen zoals matrassen, kussens en beddengoed.
Omdat mensen gemiddeld ongeveer acht uur per dag in bed doorbrengen en voortdurend huidschilfers verliezen, vormt het bed een ideale leefomgeving voor de huisstofmijt.
De klachten bij een huisstofmijtallergie worden niet veroorzaakt door de mijt zelf, maar vooral door de uitwerpselen en afbraakproducten ervan. Wanneer deze deeltjes worden ingeademd, kunnen bij gevoelige personen luchtwegklachten ontstaan, zoals:
-
Benauwdheid
-
Hoesten
-
Piepende ademhaling
Deze klachten passen vaak bij allergisch astma.
Pollen (stuifmeel)
Pollen zijn de mannelijke voortplantingscellen van planten en bomen. Veel planten verspreiden pollen via de lucht om zich te kunnen voortplanten.
Bij sommige mensen reageert het immuunsysteem overgevoelig op bepaalde soorten pollen. Dit kan leiden tot een allergische reactie, meestal bekend als allergische rhinitis of hooikoorts.
Typische klachten zijn onder andere:
-
Niezen
-
Verstopte of loopneus
-
Jeukende of tranende ogen
Latexallergie wordt verder uitgebreid beschreven op de website van onze adviseur dokter A. Jansen Internist-Allergoloog van de Allergologen Maatschap Arnhem. Zowel voor patiënten als voor professionele werkers in de allergie gezondheidszorg vindt u daar onontbeerlijke informatie. Hieronder vindt u het begin van de pagina. Als u op onderstaande tekst klikt wordt een nieuw venster geopend met de website van Allergologie Maatschap Arnhem. De volgende informatie staat ook op Latexallergie: SAMENVATTING Sinds de eerste meldingen van allergische reacties op latexbevattende producten is de incidentie van latexallergie snel toegenomen. De grootste problemen komen voor in de gezondheidszorg. Tot de risicogroep behoren zowel de beroepsgroepen die veel latexhandschoenen dragen als patiënten die via hun operaties veel in aanraking komen met latexbevattende producten. Bij de laatste groep bestaat na sensibilisatie voor latex zelfs risico op perioperatieve anafylaxis. Vermijden van het allergeen is de meest voor de hand liggende, maar geen gemakkelijke oplossing. Er worden verschillende producten ontwikkeld die minder of geen latex bevatten. Ook bestaat de mogelijkheid om bij risico op anafylaxis te opereren in een ‘latexvrije’ operatiekamer (OK). Een dergelijke OK is echter zeer kostbaar en zou voor een aantal centra samen kunnen worden ontwikkeld. Inleiding Rubber wordt al meer dan honderd jaar wereldwijd gebruikt in talloze gebruiksvoorwerpen. In de afgelopen vijftien jaar zijn er steeds vaker allergische en zelfs anafylactische reacties tegen natuurrubber beschreven. Dat is niet alleen het gevolg van een beter (h)erkenning; er lijkt ook sprake van een absolute toename van allergische reacties tegen latex. In dit artikel worden de verschillende reactievormen van latexallergie besproken en wordt speciale aandacht besteed aan de risicogroepen. Verder komen de mogelijkheden en beperkingen van de diagnostiek en de preventie aan de orde. Epidemiologische gegevens De eerste meldingen over latexallergie verschenen in Europa (1979). Later verschenen er ook berichten over latexallergie in Noord-Amerika (1989)(Turjanmaa et al 1996). De snelle toename van meldingen van allergische reacties tegen latex bij de Food and Drug Administration (FDA) in de VS leidde al in 1992 tot een internationale conferentie over dit onderwerp. Daar werd een overzicht gegeven van de meldingen die via producenten bij de FDA waren binnengekomen. Van de 1133 verdachte reacties die de FDA op dit gebeid van januari 1988 tot en met september 1992 had ontvangen, konden er 1022 daadwerkelijk in relatie worden gebracht met latexproducten: 422 met bariumklysma’s (waarvan 15 fataal), 408 met onderzoekshandschoenen, 77 met operatiehandschoenen, 53 met condooms, 32 met plakband en 30 met intraveneuze katheters (Levy 1993). Dit was waarschijnlijk nog maar het topje van de ijsberg, aangezien men aanneemt dat slechts 1 % van de incidenten in de VS bij de FDA werd gemeld. Tijdens de conferentie werd ook melding gemaakt van een studie in 64 Noord-Amerikaanse kinderziekenhuizen. Over de periode 1990-1992 werden er 32 gevallen gerapporteerd van anafylactische reacties door latexcontact tijdens algehele anesthesie bij kinderen met spina bifida. In veertien Europese studies is het voorkomen van specifieke IgE-antistoffen tegen latex via huid- en/of bloedtesten onderzocht bij werknemers in de gezondheidszorg die veel op de OK werkten (OK-verpleegkundigen en artsen zoals chirurgen, anesthesisten, gynaecologen, urologen, enz.). Bij een meta-analyse bleek dat 9,9 % van de onderzochte artsen en 8,2 % van de OK-verpleegkundigen gesensibiliseerd waren (Turjanmaa et al. 1996). Waardoor deze toename? De oorzaken van de toename van latexallergie in de afgelopen vijftien jaar zijn niet geheel duidelijk. Een van de mogelijke verklaringen is de zogenaamde preventieparadox. Ter bescherming tegen infectieuze aandoeningen als aids en hepatitis is met meer handschoenen gaan gebruiken. Evenredig aan deze toename zijn er ook meer allergische klachten in relatie tot deze producten ontstaan. Volgens een andere hypothese heeft de toename te maken met veranderingen in de kwaliteit van latexhandschoenen en condooms t.o.v. het pre-aids-tijdperk. Door de grotere behoefte is de industriële productie versneld en worden er minder bewerkingsstappen uitgevoerd. Daardoor blijft er meer eiwit achter in de latex (intermezzo 1). Juist deze eiwitten zijn de allergene componenten in de latexproducten Lees verder de informatie geschreven door drs. A.H.P. Jansen, allergoloog van de Allergologen Maatschap Arnhem Voedselallergie Voedselallergie INTRODUCTIE Een door vrienden zorgvuldig bereide maaltijd, een goede sfeer en prettig gezelschap. Voor de meeste mensen een heerlijke afsluiting van een dag vol noeste arbeid. Maar voor sommigen is een zorgvuldig bereide maaltijd niet voldoende. Sommigen worden ziek van normaal voedsel. Voedsel dat door iedereen gegeten kan worden. Het is van belang om goed vast te stellen wat er onder voedselallergie wordt verstaan. Er zijn verschillende termen in omloop, maar niet iedereen verstaat daar hetzelfde onder. Om daar duidelijkheid in te scheppen heeft de Europese beroepsvereniging voor Allergie en Klinische Immunologie (European Academy of Allergy and Clinical Immunology (EAACI een indeling gemaakt gebaseerd op het onderliggende mechanisme. Hiermee ontstaat een onderscheid tussen ongewenste reacties op voeding waarbij het immuunsysteem een rol speelt (voedselallergie) en die waarbij dat niet het geval is (Niet IgE gemedieerde voedselallergie). Een voorbeeld van voedselintolerantie, (de nieuwe term hiervoor is “niet IgE gemedieerde voedselallergie”) overigens een zeer heterogene groep wat betreft het onderliggende mechanisme, is het ‘Chinese restaurant syndroom’ , dat gerelateerd is aan verhoogde gevoeligheid voor glutaminaten (E620-E625). Ook lactose-intolerantie, veroorzaakt door (soms tijdelijke) deficiëntie van het enzym lactase, valt hieronder. Over voedselallergie wordt gesproken wanneer de reactie IgE-gemedieerd is en in het geval van Coeliakie waarbij IgA en IgG een rol spelen. Voedselallergie komt voor bij tot ongeveer 3% van de volwassenen en tot 6 – 8% van de kinderen in Europa voor. Recentelijk wordt aangenomen, ondanks dat het in Nederland nog niet goed geregistreerd wordt geschat dat ongeveer 20-25% van de bevolking allergisch is. gemiddeld is ongeveer 2-4% van de bevolking voedselallergisch en 1-2% kan anafylactisch reageren, d.w.z. dat ongeveer 1-2% van de Nederlandse voedselallergische bevolking kans heeft op een anafylactische reactie door het eten van voedsel. Voor voedselallergie geldt dit ook, dus van de tussen de 400.000 – 700.000 personen met voedselallergie heeft tussen de 4000 – 15.000 personen kans op een anafylactische reactie. WANNEER KAN ER EEN VOEDSELALLERGISCHE REACTIE OPTREDEN EN WANNEER EEN VOEDSEL GEÏNDUCEERDE ANAFYLACTISCHE REACTIE OPTREDEN? VOEDSELALLERGISCHE REACTIE: Een voedselallergische reactie kan optreden wanneer het voedsel waar je allergisch voor bent in het lichaam is gekomen, dit gebeurt voornamelijk door het eten van het betreffende voedsel, in enkele gevallen kan afhankelijk van het soort voedsel er ook een reactie optreden door het inademen van de dampen van het voedsel. Voor alle duidelijkheid dit soort allergische reacties door inademing is op basis van praktijk gegevens eigenlijk altijd mild tot matig en er zijn geen anafylactische reacties (anafylaxie) opgetreden. VOEDSEL GEÏNDUCEEERDE ANAFYLACTISCHE REACTIES Een Anafylaxie (anafylactische reactie) kan alleen optreden wanneer het voedsel waar je allergisch voor bent IN het lichaam is gekomen. Er is geen klinisch bewijs dat inhalatie van voedsel een ernstige allergische reactie (anafylaxie) uitlokt. SYMPTOMEN VOEDSELALLERGIE Een voedselallergie kan zich op verschillende manieren uiten, namelijk in klachten van de huid, van het maag-darmkanaal, van de luchtwegen en van hart- en bloedvaten. De verschillende symptomen per orgaansysteem staan in onderstaande tabel: Symptomen die kunnen wijzen op een voedselallergie: Symptomen huid en slijmvliezen Oraal Allergie Syndroom (OAS) exantheem urticaria agio-oedeem eczeem* Symptomen luchtwegen rhinitis (neusloop) pharynx-oedeem (zwelling keel) Glottis oedeem (zwelling stembanden) astma Symptomen maag-darmkanaal misselijkheid braken* buikpijn* diarree* Symptomen hart en bloedvaten bloeddrukdaling shock * m.n. bij kleine kinderen 1%) •Bijwerking wordt meestal al gezien in preregistratie studies •Tijdsrelatie is suggestief Een voorbeeld van een type-A-bijwerking is bloedingen bij acetylsalicylzuur. Type-B-bijwerkingen, ofwel patiënt gebonden Deze hebben de volgende kenmerken: •Bijwerking is ernstig •Bijwerking is niet herleidbaar tot farmacologisch effect van het geneesmiddel •Bijwerking is daarom niet dosisafhankelijk •Bijwerking is meestal niet reproduceerbaar bij andere patiënten •Incidentie (en achtergrondfrequentie) is relatief laag •Bijwerking wordt meestal pas ontdekt in post marketing surveillance •Tijdsrelatie en mechanisme is onzeker Een voorbeeld van een type-B-bijwerking is het Stevens Johnson Syndroom.(zie uitleg verder op in de tekst) Toezicht op medicijnen. Voordat geneesmiddelen op de markt komen, worden de werkzaamheid en de schadelijkheid uitgebreid onderzocht. Het aantal patiënten dat bij deze studies is betrokken is, bedraagt meestal niet meer dan enkele duizenden. Daar staat tegenover dat een geneesmiddel dat wereldwijd op de markt wordt gebracht in de loop der jaren door tientallen miljoenen patiënten zal worden gebruikt. Zeldzame, patiëntgerelateerde bijwerkingen komen dus pas na het op de markt brengen aan het licht. Het bewaken en analyseren van deze nog onbekende bijwerkingen wordt internationaal farmacovigilantie genoemd. Hierbij wordt aan artsen en apothekers de mogelijkheid geboden om hun vermoedens van een bijwerking te melden op één centraal punt. In Nederland is dat Lareb. Op deze manier is het mogelijk om in korte tijd nieuwe, potentieel gevaarlijke bijwerkingen op te sporen en te bewaken. Vervolgens kan gericht farmaco-epidemiologisch vervolgonderzoek plaatsvinden om bijvoorbeeld incidentiecijfers vast te stellen. Ook vaccins zijn geneesmiddelen Vaccins worden algemeen gerekend tot de meest kosteneffectieve gezondheidszorginterventies. Naast het belang van individuele bescherming kan immuniteit door vaccinaties ook een meer algemeen of zelfs nationaal volksgezondheidsbelang dienen. Vaccins zijn geneesmiddelen met een bijzondere plaats binnen de gezondheidszorg: •Vaccins worden uitsluitend door professionals (artsen of verpleegkundigen) toegediend. •Vaccins worden meestal aan gezonde personen toegediend. •Vaccins behoren tot de weinige geneesmiddelen die – ook in het verleden – vrijwel altijd bij kinderen worden getest. •Vaccinbijwerkingen kunnen afwijken van bijwerkingen van andere geneesmiddelen. Omdat vaccins voornamelijk aan gezonde personen worden toegediend, merk je niet direct dat je er beter van wordt, zoals wel het geval is bij het verdwijnen van koorts na inname van een antibioticum of van een pijnstiller. In de “kosten – baten” afweging (van de ouders) van de gevaccineerde zijn de “baten” meestal niet of niet direct waarneembaar. Terwijl de “kosten” in de vorm van bijwerkingen vaak al binnen enige uren na toediening optreden. Ook bijwerkingen van vaccins dienen bij Lareb gemeld te worden! Lareb heeft de kennis en ervaring in huis om bijwerkingen van deze bijzondere groep geneesmiddelen te beoordelen. Zo werd Lareb aangezocht om op projectbasis de vaccinbijwerkingen van de “Landelijke vaccinatiecampagne hepatitis B risicogroepen” te registreren. Daarnaast is er een wederzijdse uitwisseling van gegevens met het RIVM betreffende ernstige bijwerkingen van vaccins die aan kinderen werden toegediend in het Rijksvaccinatieprogramma.
Een andere kruisreactie met latex is met de sierplant Ficus benjamina.
Deze sierplant staat in veel huiskamers en openbare ruimten en kan klachten veroorzaken bij personen met latexallergie. Het bijzondere aan deze kruisreactie is dat de stoffen van de ficus die de allergische reactie uitlokken (allergenen) onder meer via de lucht worden verspreid. Ook kan een allergische reactie optreden bij het aanraken van de plant. Door artsen wordt daarom aan sommige patiënten met latexallergie aangeraden ficusplanten uit huis te verwijderen in het geval van latexallergie bij een van de huisgenoten.
De vijgenboom behoort tot de plantkundige familie van de Ficus (ficus caica). Hierdoor kan bij latexallergie, in combinatie met allergie voor de ficus, tevens sprake zijn van een voedselallergie voor vijgen.
Voor al deze voedingsmiddelen geldt dat aanvullend onderzoek nodig is voordat bij u een allergie voor een of meer van deze voedingsmiddelen bevestigd kan worden. Dit onderzoek kan bestaan uit huid- en/of bloedtesten in combinatie met een eliminatie – provocatiedieet. Het uitvoeren van een eliminatie – provocatiedieet is noodzakelijk om met zekerheid vast te kunnen stellen of daadwerkelijk sprake is bepaalde voedselallergie bij latexallergie. Meer informatie over de onderzoekmethoden die gebruikt kunnen worden bij voedselovergevoeligheid kunt u aanvragen bij het Voedingscentrum. Informatie hierover vindt u in bijgevoegde folder over de uitgaven van het Voedingscentrum.
Allergietesten
Bloedtest
Voedsel- en inhalatieallergieën kunnen ook worden vastgesteld door middel van een bloedtest. Men onderzoekt dan of een bepaald soort eiwitten, het IgE in het bloed aanwezig is. Deze test noemt men ook wel RAST-test.
Priktest
Priktesten zijn zinvol bij vermoeden van voedsel- of inhalatieallergie. Bij deze test wordt een druppeltje allergenenextract op de huid aangebracht en vervolgens met een naald in de huid geprikt. Dit zorgt voor een kleine hoeveelheid van de allergene stof in de huid. Binnen 5 - 45 minuten ontstaat er bij een allergische reactie roodheid en zwelling op de prikplek. De grootte van de reactie geeft aan hoe gesensibiliseerd de persoon is voor dat specifieke allergeen.
Eliminatieprovocatietesten
Op momenten dat een reactie op voedsel wordt vermoed, kan een voedselprovocatietest uitgevoerd worden. De test kan open zijn, waarin zowel de arts als de patiënt weten wat de ingenomen stof bevat, of enkel geblindeerd, waarbij de arts, als enige, de samenstelling weet van hetgeen gegeten wordt, of dubbel blind placebo gecontroleerd , waarbij noch de arts noch de patiënt weet wanneer wat gegeten wordt.
Testresultaten
De uitslagen van bovenstaande testen geven alleen aan of iemand gevoelig is voor het allergeen waarop getest wordt. Een positieve uitslag wil niet zeggen of iemand allergisch is. Alleen door een diagnose in combinatie met aan het allergeen gerelateerde klachten (anamnese) kan gezegd worden of iemand allergisch is.
