Nieuwe inzichten kunnen diagnostiek bij voedselallergie verbeteren
Bijgewerkt op: 30 sep
Een voedselallergie vaststellen is niet altijd eenvoudig. Een positieve huid- of bloedtest betekent bijvoorbeeld niet automatisch dat iemand daadwerkelijk allergisch reageert op een voedingsmiddel. Andersom kunnen patiënten reacties ervaren op voedingsmiddelen die minder vaak als oorzaak van voedselallergie worden herkend.
Recent onderzoek van UMC Utrecht geeft nieuwe inzichten die kunnen bijdragen aan een nauwkeurigere en meer persoonlijke diagnostiek van voedselallergieën.
Arts-onderzoeker Emily Kallen onderzocht verschillende aspecten van voedselallergie, waaronder welke voedingsmiddelen reacties veroorzaken en hoe de diagnostiek verder verbeterd kan worden.
Bijna 200 verschillende voedingsmiddelen
Veel onderzoek naar voedselallergie richt zich op bekende allergenen zoals pinda, noten, melk, ei, vis en schaaldieren. Uit het Utrechtse onderzoek blijkt echter hoe breed voedselallergie in de praktijk kan zijn.
In het onderzoek werden 192 verschillende voedingsmiddelen gemeld als mogelijke oorzaak van allergische reacties bij volwassenen. Naast bekende allergenen kwamen bijvoorbeeld ook zaden, fruit en minder bekende voedingsmiddelen naar voren.
Onder andere pijnboompitten, zonnebloempitten en bepaalde exotische fruitsoorten werden in het onderzoek in verband gebracht met ernstige reacties.
Steeds nauwkeuriger onderzoeken waarop iemand reageert
Een andere belangrijke ontwikkeling is componentdiagnostiek.
Bij een reguliere bloedtest kan worden onderzocht of iemand IgE-antistoffen heeft tegen bijvoorbeeld cashew. Met componentdiagnostiek kan specifieker worden gekeken naar afzonderlijke allergene eiwitten binnen zo'n voedingsmiddel.
In het onderzoek bleek bijvoorbeeld dat antistoffen tegen het cashew-eiwit Ana o 3 een betere voorspeller konden zijn voor cashewallergie dan een test met volledig cashew-extract.
Dit soort diagnostiek kan artsen in bepaalde situaties helpen om beter te beoordelen hoe waarschijnlijk het is dat iemand daadwerkelijk allergisch is.
Naar meer persoonlijke allergiezorg
De resultaten passen bij een bredere ontwikkeling binnen de allergologie: steeds beter proberen vast te stellen waar iemand precies op reageert en welke adviezen bij die persoon passen.
Dat is belangrijk. Onnodig voedingsmiddelen vermijden kan grote gevolgen hebben voor het dagelijks leven, terwijl het bij een daadwerkelijke voedselallergie juist essentieel is om te weten welk allergeen vermeden moet worden en hoe er bij een reactie gehandeld moet worden.
De voedselprovocatie onder medische begeleiding blijft een belangrijke methode om een voedselallergie vast te stellen. Onderzoekers kijken tegelijkertijd naar manieren om diagnostiek nauwkeuriger, veiliger en meer op de individuele patiënt afgestemd te maken.
Wat betekent dit nu voor patiënten?
De onderzoeksresultaten betekenen niet dat bestaande allergietesten vervangen worden of dat iedereen componentdiagnostiek nodig heeft. Welke onderzoeken zinvol zijn, verschilt per persoon en moet door een arts of allergoloog worden beoordeeld.
Het onderzoek laat vooral zien hoeveel ontwikkeling er nog plaatsvindt binnen de voedselallergiezorg. Betere diagnostiek kan er in de toekomst aan bijdragen dat patiënten gerichter advies krijgen over welke voedingsmiddelen zij daadwerkelijk moeten vermijden, en welke misschien niet.
Meer lezen over het onderzoek?
Het onderzoek is uitgevoerd binnen UMC Utrecht en maakt deel uit van het promotieonderzoek A taste of food allergy – Digesting the evidence on patient characterization and management strategies van Emily Kallen.
Bron: UMC Utrecht, Towards better insights, diagnosis and treatment of food allergies, gepubliceerd op 9 juli 2026.



Opmerkingen